EuroHistorie (1966-1976) - Controverse, revoluties én ABBA
In dit artikel:
De jaren zestig en zeventig veranderden het Eurovisiesongfestival van een regionaal liedjesconcours in een groter, politiek geladen en commerciëler spektakel. Het decennium wordt vooral herinnerd aan ABBA: dankzij versoepelde taalregels (1973–1976) kon de Zweedse groep in 1974 met het volledig Engelstalige Waterloo een internationale doorbraak forceren en het imago van het Songfestival als springplank naar wereldsucces versterken.
Techniek en beeldvorming evolueerden ook: vanaf 1968 werd in sommige landen al in kleur uitgezonden; de Belgische BRT schakelde pas in 1971 definitief over. België leverde meerdere memorabele inzendingen: Louis Neefs vertegenwoordigde het land tweemaal en bouwde daarmee zijn repertoire uit, terwijl Nicole & Hugo in 1971 wel waren uitgekozen maar door geelzucht verhinderd werden; twee jaar later traden ze alsnog aan met Baby, Baby, maar eindigden onderaan — hun opvallende outfits bleven wel hangen in de herinnering.
Politiek speelde steeds vaker een rol. De editie van 1969 in Spanje, nog onder Franco, was het meest omstreden: Spanje had eerder gewonnen met een nummer waarvan de uitvoerder op het laatste moment was vervangen omdat de oorspronkelijke zangeres in het Catalaans wilde zingen — iets wat het regime niet toeliet. Er circuleerden geruchten over beïnvloede jury’s, en de uitslag eindigde in een vierdubbele gelijkstand (VK, Nederland, Frankrijk en Spanje). Omdat er geen gelijkstandsregeling bestond, werden alle vier tot winnaar uitgeroepen, wat leidde tot boycots door enkele landen het volgende jaar.
Het festival werd daarmee steeds meer een spiegel van maatschappelijke en geopolitieke spanningen. Al in 1964 waren er protesten tegen deelname van autoritaire staten zoals Portugal en Spanje. De Portugese inzending van 1974 viel samen met de omwenteling die de dictatuur verdreef. Griekenland, dat in 1974 debuteerde tijdens zijn eigen dictatuur, boycotte in 1975 deels uit politieke onvrede over de Turkse deelname én de Turkse inval op Cyprus; pas vanaf 1978 traden Griekenland en Turkije weer gezamenlijk aan.
Tegelijk groeide het deelnemersveld: begin jaren zeventig kwamen Malta (1971), Israël (1973), Griekenland (1974) en Turkije (1975) erbij. Israël boekte snel succes met overwinningen in 1978 en 1979. Andere nieuwkomers, zoals Malta, hadden een moeizame start en trokken zich af en toe terug; Malta keerde pas definitief terug in de jaren negentig.
Kortom: in dit tijdvak ontwikkelde het Songfestival zich van een vrolijk, nationaal zangfestijn tot een internationaal podium waar technologische vernieuwing, commerciële kansen en geopolitiek elkaar ontmoetten — een transformatie die de basis legde voor het moderne Eurovisie-evenement.